080.
BIJBELSTUDIE OVER
]di9]g
Het overlijden van mijn oudste zoon Siegfried heeft bij mij, evenals bij ontelbare andere mensen, een aantal elementaire vragen opgeroepen. Vragen als: Waar is Siegfried nu? In het graf of in de hemel? Heeft er een scheiding plaats gevonden tussen lichaam, ziel en geest of rusten alle drie in een slaapachtige toestand tot de dag der opstanding in het graf? Als Siegfried echter in de hemel is, wat moet ik dan daaronder verstaan? Wáár is dat dan? Is de hemel daadwerkelijk het einddoel van onze reis? Is het wel de bedoeling dat de ziel eerst naar de hemel gaat, daar een poosje blijft, bij de opstanding terugkeert naar de aarde, daar gedurende het duizendjarige vrederijk blijft om vervolgens weer terug te keren naar de hemel? Wat zou het nut zijn van dit “heen en weer”? En tenslotte de laatste vragen: als het G’ds bedoeling was dat de mens voor eeuwig bij Hem in de hemel zou wonen, waarom heeft Hij dan überhaupt de aarde geschapen? Die zou dan toch volstrekt overbodig zijn geweest? En hoe zit het met het Paradijs? Was dat hier op aarde of ergens in de hemel? Deze vragen hebben mij maandenlang bezig gehouden en ik heb ze in gebed bij Adonai gebracht. De antwoorden hierop heeft de Eeuwige mij gegeven door het nauwkeurig bestuderen van de Joodse geschriften. Deze antwoorden zijn dermate belangrijk voor mijn en ook uw geloofsleven, dat ik heb besloten om ze tot het onderwerp van deze bijbelstudie te maken.
G’ds
oorspronkelijke bedoeling
De Heilige, geprezen zij Hij, is de Schepper en de
Bestuurder van het heelal. Hij maakte en onderhoudt alles naar een weloverwogen
plan. De mens werd geschapen naar G’ds beeld, naar Zijn gelijkenis, bestaande uit dezelfde drie delen als Hijzelf,
namelijk: Ziel, Geest en Lichaam! G’d is één! Vader, Zoon en Heilige Geest zijn
geen drie personen en zo zou ook niemand van ons beweren dat Adonai de mensen geschapen heeft als wezens die uit
drie verschillende personen zijn samengesteld, maar een ieder van ons, u en ik,
heeft een ziel, een geest en een lichaam. Een mens heeft echt alle drie delen nodig om een
volledig persoon te kunnen zijn en om optimaal te kunnen functioneren. Elk deel
heeft namelijk zijn eigen functie en daarom is
een persoon alleen met het zichtbare deel, het lichaam, niet compleet zonder de
twee onzichtbare delen, de ziel en de geest, wants slechts alle drie delen bij
elkaar vormen pas de éénheid die wij in het Sh’ma
Yisra’el belijden. Het Hebreeuwse woord dxa Echad in
deze Joodse
geloofsbelijdenis, geeft namelijk een samengestelde
éénheid aan en
daarom belijden wij met de woorden dxa yy Adonai Echad [de Eeuwige is één] de samengestelde éénheid van
Vader, Zoon en Geest! Zo heeft G’d de mens naar Zijn beeld, naar Zijn
gelijkenis geschapen. Het was Zijn bedoeling, dat de mens gevormd zou worden naar het
g’ddelijk evenbeeld van Zijn Maker, begaafd met wijsheid en kennis en volmaakte
heerlijkheid. De Almachtige onthield de mens echter van de kennis van het kwade
en schonk hem de onvermengde kennis van het goede, want Hij wilde niet dat de
mens kennis zou maken met het kwade. Vandaar het gebod om niet te eten van de
boom der kennis van goed en kwaad. De Schepper wenste, dat de mens gespaard zou
blijven voor de droeve ervaringen van het kwade, waardoor het levensgeluk zou
verduisterd worden. De mens heeft de boom der kennis ook helemaal niet nodig,
want alles krijgt hij door de Boom des Levens. Maar reeds toen gaf de Eeuwige
de mens een vrije keuze om wel of niet te gehoorzamen. Het was Zijn plan dat de
mensen in onverduisterd geluk en vrede voor eeuwig in dit Paradijs op aarde met
al haar schoonheid en rijkdom aan mineralen en kostbaarheden en natuurwonderen
zouden leven, in volkomen harmonie met elkaar en de dierenwereld: “En G’d
zeide: Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis, opdat zij
heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee
en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde
kruipt. En G’d schiep de mens (,dah haAdam) naar Zijn beeld; naar G’ds
beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En G’d zegende hen en G’d
zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt
haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al
het gedierte, dat op aarde kruipt. En G’d zeide: Zie, Ik geef u al het
zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende
vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. Maar aan al het gedierte der aarde
en al het gevogelte des hemels en al wat op aarde kruipt, waarin leven is, geef
Ik al het groene kruid tot spijze; en het was alzo.” (ty>arb B’reshit [Genesis]
1:26-30). - “Voorts plantte de Eeuwige G’d een hof in Eden (]di=]g Gan-Eden), in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die
Hij geformeerd had. Ook deed de Eeuwige G’d allerlei geboomte uit de aardbodem
opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de Boom des Levens
(,yyxh /i Etz haChayim) in het midden van de hof,
benevens de boom der kennis van goed en kwaad (irv bvu tidh /i Etz haDa’at tov
vaRa’a).” (ty>arb B’reshit [Genesis] 2:8-9). “En de Eeuwige G’d nam de
mens en plaatste hem in de hof van Eden, om die te bewerken en te bewaren. En
de Eeuwige G’d legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij
vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet
eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven. En de
Eeuwige G’d zeide: het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een
hulp maken, die bij hem past. En de Eeuwige G’d formeerde uit de aardbodem al
het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot
de mens al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht
Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk
levend wezen noemen zou, zo zou het heten. En de mens gaf namen aan al het vee,
aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor
zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste. Toen deed de Eeuwige G’d een
diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn
ribben en sloot haar plaats toe met vlees. En de Eeuwige G’d bouwde de rib, die
Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens.
Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van
mijn vlees; deze zal “mannin” (h>ya Isha) heten, omdat zij uit de
man (>ya Ish) genomen is. Daarom zal een
man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en zij zullen
tot één vlees zijn. En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij
schaamden zich voor elkander niet.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 2:15-25). Met het
oog op deze Parasha schreef Sha’ul in de verzen 7-9, hoofdstuk 11, van zijn
eerste brief aan de Korinthiërs over de man: “Hij is het beeld en de
heerlijkheid G’ds, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. Want de man is
niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. De man is immers niet geschapen om
de vrouw, maar de vrouw om de man.” - De man
is dus het beeld en de heerlijkheid van G’d, de zichtbare vertegenwoordiger van
de heerschappij en het glorierijk gezag, dat de Eeuwige over de wereld heeft.
Dat is niet gering! De heerlijkheid van G’d, in het Grieks doxa Jeou doxa Theou, wil
zeggen “dat wat G’d verheerlijkt, dat wat Hem tot eer strekt”. Het is de man,
die aan het hoofd van de lagere schepping gesteld is, en daarom draagt hij de
gelijkenis van G’d, die dan ook van hem verwacht dat hij de kenmerken en
eigenschappen van Zijn wezen vertoont. De vrouw is op haar beurt doxa androV doxa andros, de
heerlijkheid van de man, omdat zij uit en om hem werd geschapen. Zij is zijn
vertegenwoordigster. Dat wil niet zeggen dat zij niet ook de
vertegenwoordigster van G’d zou zijn, maar zij is het wel in de tweede plaats.
Zij is het beeld G’ds, voor zover zij het beeld van de man is; want de man is
niet uit en omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw uit en omwille van de
man. De man is eerst geschapen, en tot hoofd van de aardse schepping gesteld,
en de vrouw is gemaakt uit de man; een afschijnsel van zijn heerlijkheid; de
meerdere van alle aardse schepselen, maar in onderwerping aan haar man, en die
eer ontlenende aan hem, uit wie zij gemaakt werd tot zijn hulp”. Dat betekent natuurlijk
niet, dat een man zijn vrouw nooit hoeft te helpen. Integendeel! Hij zal haar
uit liefde helpen zoveel en waar hij maar kan. Maar dat verandert niets aan het
feit, dat de volgorde waarin, de wijze waarop en de reden waarom G’d man en
vrouw heeft geschapen, een zekere rangorde inhoudt, en die moeten wij goed
vasthouden omdat er krachten aan het werk zijn die de g’ddelijke scheppingsorde
willen omdraaien. Chava [Eva] is geschapen ter
wille van Adam en niet andersom, maar in de
wereld om ons heen wint de emancipatiebeweging steeds meer terrein, óók in de
kerk en in de synagoge! Men wil breken met deze
verzen uit G’ds woord, en dat lukt aardig, want als je goed om je heenkijkt zie
je steeds vaker dat de vrouw het hoofd van de man lijkt te worden, vooral hier
in Nederland! Dat dit in de wereld gebeurt, is niet vreemd, maar het feminisme
heeft helaas ook haar invloed op de gelovigen, denk maar aan de feministische
theologie. Zowel in deze kringen alsook in het liberale Jodendom is er
overigens reeds vele jaren hevig verzet tegen de mannelijke termen waarmee G’d
in de bijbelvertalingen wordt aangeduid, terwijl G’d volgens hun opvattingen
net zo goed vrouwelijk of sexe-neutraal zou kunnen zijn. Sommigen gaan daarom
zelfs zover om voor een verandering van het “onze Vader” in “onze Ouder” te pleiten. Dat deze gedachtegang
onjuist en zelfs onbijbels is blijkt uit het feit dat G’d in eerste instantie
slechts de man heeft geschapen naar Zijn beeld en niet de vrouw. Zij werd pas
later aan hem toegevoegd. Als G’d vrouwelijk zou zijn, dan zou Hij
logischerwijs eerst de vrouw geschapen hebben en niet andersom. Daarom is het
zo belangrijk om goed op de details te letten bij het lezen van de Bijbel. In
de verzen 11 en 12 van 1 Kor. 11 gaat Sha’ul
verder: “En toch, in
de Eeuwige is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want
gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter
uit G’d.” - Man en vrouw
werden geschapen om tot een zegen voor elkaar te zijn en dat zij beiden in
onderlinge harmonie de Eeuwige mogen dienen. Gelijk het
de wil van G’d is dat de vrouw haar plaats weten zal, zo is het ook Zijn wil,
dat de man zijn macht niet misbruiken zal.
Wanneer zij zich dat beiden bewust zijn, in alles rekening houden met G’ds geboden en het verlangen hebben om
niet besmet door de tijdgeest de spoedige wederkomst van Yeshua te verwachten, zal het juiste evenwicht in
hun onderlinge verhouding geen problemen geven, maar juist vrede en harmonie in
het huwelijk en in de gemeente tot gevolg hebben. G’d heeft het in Zijn
liefdevolle voorzienigheid zó bepaald, dat “in HEM” de één niet zonder de ander kan.
Het
eerste Paradijs
Adam en Chava [Eva]
hebben dit ongestoorde geluk, de ware heilstaat, een echt luilekkerland, waar
zij aan niemand waren onderworpen dan aan hun Schepper - iets waarvan wij
alleen maar kunnen dromen - echt gekend en doorleefd. ;"nt TeNaCH [het z.g. Oude Testament] noemt het ]di=]g Gan-Eden, de hof van Eden. Het Hebreeuwse woordje ]di Eden heeft de betekenis van gelukzaligheid,
genot, verrukking en lustgevoel. Daarom kan de uitdrukking “Hof van Eden” ook
worden weergegeven als “Lusthof”. De Griekse vertaling van de Hebreeuwse
Bijbel, de Septuaginta, noemde het paradeisoV Paradeisos, Dit woord, dat
van Perzische oorsprong is (Pairida’eza), betekent eveneens lusthof of park en komt als cdrp Pardes voor in enkele jonge teksten van
;"nt TeNaCH, namelijk tlhq Qohelet [Prediker] 2:5 en ,yry>h ry> Shir haShirim [Hooglied] 4:13
alsook in h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe
Testament]: 2 Korinthiërs 12:4. Daarvan is uiteindelijk het Nederlandse “Paradijs”
afgeleid. Het volbrengen van G’ds wil was het hoogste geluk voor de mens. De
dierbaarste snaren van de ziel waren afgestemd op de muziek der hemelse wezens,
en geen wanklank werd er vernomen. Er was harmonie, vreugde en dankbare
herinnering en bewondering onder alle schepselen van de Eeuwige. Wij weten niet
hoe lang deze staat van waarachtig geluk heeft geduurd. Het kan eeuwen geduurd
hebben, misschien zelfs wel duizenden jaren. De mens was toen immers nog niet
sterfelijk. Tijd speelde nog geen enkele rol. Maar er kwam toch een einde aan
dit aardse Paradijs. De mens maakte de verkeerde keuze. In plaats van Zijn
Schepper te gehoorzamen deed hij hetgeen verboden was: “De slang nu was het
listigste van alle dieren des velds, die de Eeuwige G’d gemaakt had; en zij
zeide tot de vrouw: G’d heeft zeker gezegd: Gij zult niet eten van enige boom
in de hof? Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in
de hof mogen wij eten, maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de
hof staat, heeft G’d gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken;
anders zult gij sterven. De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins
sterven, maar G’d weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend
zullen worden, en gij als G’d zult zijn, kennende goed en kwaad. En de vrouw
zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen,
ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van
zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. Toen
werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij
hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten. Toen zij het geluid van
de Eeuwige G’d hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de
mens en zijn vrouw zich voor de Eeuwige G’d tussen het geboomte in de hof. En
de Eeuwige G’d riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? En hij
zeide: Toen ik Uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt;
daarom verborg ik mij. En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij
naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden had te eten?
Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft
mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten. Daarop zeide de Eeuwige G’d tot
de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De slang heeft mij
verleid en toen heb ik gegeten. Daarop zeide de Eeuwige G’d tot de slang: Omdat
gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het
gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij
leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en
haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.
Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap;
met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en
hij zal over u heersen. En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt
geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik
u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil
vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en
distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het
zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem
wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult
gij wederkeren. En de mens noemde zijn vrouw hvx Chava [Eva], omdat
zij de moeder van alle levenden is geworden. En de Eeuwige G’d maakte voor de
mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede. En de
Eeuwige G’d zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van
goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de Boom
des Levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven. Toen zond de
Eeuwige G’d hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit
hij genomen was. En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof
van Eden de ,ybrk k’ruvim [cherubs] met
een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de Boom des Levens te bewaken” (ty>arb B’reshit [Genesis]
3:1-24).
Toen de mensen uit G’ds lieflijke aanwezigheid en
zorgzaamheid werden verdreven doordat zij meenden door de boom van kennis aan
G’d gelijk te kunnen worden, werd hun - en dus ook ons - de weg tot de Boom des
Levens afgesneden. Zo verloren wij de mogelijkheid, om uit de hand van de
Almachtige eeuwig leven te ontvangen. In plaats daarvan werden wij sterfelijk.
Wat houdt dat in? Het leven hier op aarde is maar tijdelijk. Het houdt een keer
op. Er vindt een scheiding plaats tussen lichaam, ziel en geest. Het lichaam
sterft, wordt begraven en vervalt, totdat er uiteindelijk nog slechts een skelet
overblijft. Ziel en geest echter maken zich los van het lichaam en vertrekken
naar een andere plaats, een andere dimensie. De meeste religies en volken
spreken over een dodenrijk, dat de Grieken adhV Hades noemden. De Babylonische
dodenwereld was de plaats waar allen heengingen. Het traditionele Jodendom
geloofde in die tijd eveneens in een soortgelijk dodenrijk, lva> Sh’ol genaamd, waar geen leven meer bestond en er geen
scheiding was tussen goed en kwaad. Dood is dood, punt uit! De Tora geeft echter aanwijzingen voor het leven. Met
het leven en niet met de dood houden ook de profeten zich bezig. Er ontstond
een besef, dat de Eeuwige de mens wel in de Sh’ol
kan brengen, maar dat Hij ook de macht heeft, de ziel daar weer weg te halen: “De
Eeuwige doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk (lva> Sh’ol) neerdalen en daaruit opkomen” (a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 2:6). Het
verblijf in het dodenrijk is dus maar tijdelijk, het is echt niet de eindbestemming.
Maar er is meer! In ,ylht Tehilim [Psalmen] 16:10 lezen wij
dat er ook zielen zijn, die helemaal niet worden prijs gegeven aan de
allesverslindende Sh’ol: “Want gij geeft
mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij Uw gunstgenoot de groeve
zien.” Ook Sha’ul haShaliach, de apostel
Paulus, bevestigde dit: “Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen
wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden.” (1 Korinthiërs
15:51). Maar als er zielen zijn, die niet naar Sh’ol
gaan, wat is dan hun lot? Het antwoord op deze vraag vinden wij in een andere
vraag: Waarom lezen wij o.a. in de psalmen en in het boek Job dat de rechtvaardigen
moeten lijden en de onrechtvaardigen een prachtig leven hebben? G’d is immers
rechtvaardig. Als de goeden hun beloning en de slechten hun straf niet op aarde
vinden, dan is de Sh’ol van de oude opvatting
met zijn ontbreken van straf en beloning niet langer aanvaardbaar. Zo ontstond
het geloof in de abh ,lvi Olam Haba, de wereld die komt.
Volgens dit geloof zou in de Messiaanse Tijd de opstanding der doden
plaatsvinden, de dood dus plaats maken voor eeuwig leven. Voor de goeden zou
het goed zijn, voor de slechten een eeuwigdurende verschrikking. Het geloof in
de opstanding en de daarop volgende straf of beloning vinden wij voor het eerst
in het boek Daniël: “Velen van hen, die slapen in het stof der aarde, zullen
ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen”
(laynd Dani’el [Daniël] 12:2). Dit wordt in vhyttm Matit’yahu [Mathéüs] 25:46 door Yeshua haMashiach zelf herhaald: “En dezen zullen
heengaan naar de Eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het Eeuwige leven.”
Het Jodendom kent verschillende opvattingen omtrent het “hiernamaals”. De Essenen
geloofden in het voortbestaan van de ziel, de Sadduceeën daarentegen behielden
het geloof dat hierna niets is dan de Sh’ol. De
opvatting van de Farizeeën heeft het Jodendom echter blijvend beïnvloed. Zij
geloofden in de lichamelijke opstanding zoals beschreven in Daniël 12:2. Ook de
plaatsen waar de zielen van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen tijdelijk
verblijven tot de dag van het oordeel, kregen hun plek in de Joodse gedachtewereld.
Na de zondeval heeft G’d het Paradijs, Gan-Eden,
van de aarde weggehaald. Dit Paradijs bevindt zich nu in de derde hemel, wat
uit 2 Korinthiërs 12:2-4 duidelijk blijkt: “Ik weet van een mens in de Mashiach, veertien jaar is het geleden - of het in
het lichaam was, weet ik niet, of dat buiten het lichaam was, weet ik niet, G’d
weet het - dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon - of het in het
lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, G’d weet het - dat hij
weggevoerd werd naar het paradijs en
onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit
te spreken.” Volgens de traditionele Joodse opvattingen zijn er drie
hemelen: de 1e hemel is de hemel die we kunnen zien, de blauwe lucht
met de wolken; de 2e hemel is het heelal met de sterren en de maan;
de 3e hemel kan je met geen enkel vliegtuig en geen enkele raket
bereiken: het is de plaats waar de troon van G’d zich bevindt, het hemelse
Jeruzalem, het paradijs. Dáár zijn de zielen van de rechtvaardigen in een staat
van gelukzaligheid, een staat van rust en vrede, waarin zij van hun moeiten en
van alle zorg en smart mogen uitrusten. Deze opvatting werd door Yeshua bevestigd, toen Hij aan het kruis vlak voor
Zijn dood tegen de bekeerde misdadiger naast Hem zei: “Voorwaar, Ik zeg u,
heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” (Lucas 23:43). In B’rit haChadasha, de Hebreeuwse versie van het
zogenaamde Nieuwe Testament, gebruikt Yeshua hierbij inderdaad de naam ]di=]g Gan-Eden. In Openbaring 2:7 lezen wij: “Wie overwint, hem zal Ik geven te
eten van de Boom des Levens, die in het paradijs is.” - Let wel: er staat
“is” en niet “was”! Het paradijs bestaat dus nog steeds, alleen niet hier op
aarde. En in dit hemelse paradijs bevinden zich dus de zielen der
rechtvaardigen, wachtend op hun toekomstige beloning. De zielen der g’ddelozen
echter bevinden zich in Sh’ol, het dodenrijk,
want zij verkozen boze werken boven goede. Zij zitten in de gevangenis, zoals Sh’ol ook wel genoemd wordt, in diepe duisternis in
een vreselijke toestand, wachtend op de vurige gramschap van G’ds toorn. Aldus
verblijven zij in deze staat, evenals de rechtvaardigen in Gan-Eden tot de tijd van hun opstanding. Zowel in Sh’ol alsook in Gan-Eden
leven de zielen bewust en het aantal verhalen over wat zij doen, wat zij doormaken
en wat zij willen, is in de Joodse geschriften zeer talrijk.
Een bekend voorbeeld vinden we in het verhaal van de
arme Lazarus. Het is een bijzonder bijbelgedeelte, waar nogal wat verschil van
mening over bestaat. Velen zien het als een gelijkenis, maar dat staat er niet.
Met name de NBG-vertaling laat dit duidelijk zien. Bij andere teksten wordt er
boven gezet om welke gelijkenis het gaat, zoals bijvoorbeeld: “De gelijkenis van het verloren schaap en de
verloren penning” (Lucas 15:1), “De gelijkenis van de verloren zoon” (Lucas 15:11) of “De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester”
(Lucas 16:1). Boven Lucas 16:19 staat echter alleen maar “De rijke man en de arme Lazarus”. Nergens staat er dat het om een
gelijkenis zou gaan. Integendeel! Zelfs de naam van de hoofdpersoon uit dit
gedeelte wordt genoemd: rzil La’zar - Lazarus! In gelijkenissen worden nooit persoonsnamen
gebruikt. In Lucas 16:19-31 wel, en dat maakt dit bijbelgedeelte zo bijzonder!
Het zijn woorden van Yeshua om ons te laten
weten, dat er herkenning zal zijn zowel in Gan-Eden
alsook in Sh’ol: “Er
was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag
schitterend feest hield. En er was een bedelaar, La’zar genaamd, vol zweren,
nedergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat
van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken.
Het geschiedde, dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Avrahams
schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in Sh’ol [het dodenrijk] zijn
ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Avraham van verre en La’zar in zijn schoot. En hij riep en zeide: Avi Avraham [Vader
Abraham], heb medelijden met mij en zend La’zar, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn
tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam. Maar Avraham zeide: Kind, herinner
u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks La’zar het kwade; nu wordt
hij hier vertroost en gij lijdt pijn. En bij dit alles, er is tussen ons en u
een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit
niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen. Doch
hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader
zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook
zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Avraham zeide: Zij hebben Moshe [Mozes] en de
profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, Avi Avraham, maar indien
iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot
hem: Indien zij naar Moshe en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien
iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen.” Dit tekstbewijs op de vraag naar herkenning en oogcontact
tussen Gan-Eden
en Sh’ol wordt
versterkt door een andere uitspraak van Yeshua in Lucas 13:28 over mensen zoals de rijke man, die niet in
de hemel zullen komen, omdat ze Hem niet willen kennen: “Daar zal het geween
zijn en het tandengeknars, wanneer gij Avraham en Yitz’chaq [Isaäk] en Ya’aqov [Jakob] zult zien en al de profeten in het Koninkrijk
G’ds, maar uzelf buitengeworpen.” Dit zijn
harde woorden, maar de Eeuwige is barmhartig en liefdevol. Hij wil niet dat er
ook maar één ziel verloren gaat. Hij geeft kans op kans. Zelfs aan de zielen in
Sh’ol, de
gevangenis, werd het evangelie verkondigd, om hen alsnog de kans op bekering te
geven: “Zult Gij aan de doden een wonder doen; zullen schimmen opstaan en U
loven? Wordt in het graf Uw goedertierenheid verkondigd, Uw trouw in de plaats
der vertering?” (,ylht Tehilim [Psalm] 88:11-12). “Want ook de Mashiach is eenmaal om
de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot
G’d zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de
geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de
gevangenis (Sh’ol), die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de
lankmoedigheid G’ds bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark
in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het
water heen gered werden.” (1 Petrus 3:18-22). “Want daartoe is ook aan doden het
evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden
geoordeeld worden doch, naar G’d, wat de geest betreft, zouden leven.” (1
Petrus 4:6). Zoals gezegd, in het Jodendom bestaan nog altijd naast elkaar het
geloof in het voortbestaan der ziel en in de lichamelijke opstanding der doden.
De uitspraak in de Mishna Sanhedrin 10:1: “Geheel Israël heeft deel aan Olam Haba, de Komende
Wereld, maar de volgende personen niet: hij die niet gelooft, dat het geloof in
de opwekking der doden reeds in de Tora is voorgeschreven; hij die loochent
dat de gehele Tora door G’d geopenbaard is, en de afvallige” vormt nog immer
uitgangspunt van deze beschouwing. Vrijwel algemeen wordt aangenomen dat de
komst of beter gezegd de wederkomst van de Mashiach ook de herleving der doden
teweeg zal brengen. De vragen die daarbij rijzen worden beantwoord met: “Wij
kennen de geheimen der Schepping, ondanks een eeuwenlange studie, nog altijd
niet. Waarom zouden wij de pretentie hebben, de geheimen van het eind der dagen
te kennen?” (Aron Barth).
De zondaars moesten uit het paradijs vertrekken. De
Boom des Levens bleef in Gan-Eden achter. Hij
wacht daar nog steeds op u en op mij. De k’ruvim
[cherubs] met hun vlammende zwaarden zullen ons doorlaten als we aan een aantal
voorwaarden voldoen: “Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de Boom des
Levens, die in het paradijs G’ds is.” (Openbaring 2:7). “Zalig zij, die
hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het Geboomte des Levens en
door de poorten ingaan in de stad.” (Openbaring 22:14). Waarmee kunnen de
gewaden worden gewassen? Met het bloed van Yeshua:
“Zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams!”
(Openbaring 7:14). G’d voert de mensheid tot een bepaalde climax, tot de komst
van de Mashiach Yeshua,
die aan de oorlog een einde zal maken, die de verschrikking van de dood voor
altijd zal wegnemen en op deze aarde de toestand van het oorspronkelijke Gan-Eden zal laten intreden, waardoor het paradijs
ginds en dat van hier inéénvloeien. In tegenstelling met religies die de
bevrijding uit het lichaam als hoogste doel stellen, kondigt de Bijbel echter
herhaaldelijk de lichamelijke opstanding aan als meest vitale gebeurtenis:
(Daniël 12:2, Ezechiël 37:1-14, Johannes 5:25-29 en 1 Korinthiërs 15:35-58). De
geest wordt opnieuw bekleed met een lichaam, ditmaal van onverderfelijke elementen.
Dat lichaam zal volmaakt en eeuwig zijn en de persoonlijkheid, die het omkleedt,
zal de eigen individuele persoonlijkheid zijn. Het verzoeningswerk van Yeshua maakte deze opstanding mogelijk. Hij was dan
ook de eerste die de macht van tvm Mavet [de dood] brak en uit het
graf opstond. Daarna kregen vele Joodse gelovigen, die als rechtvaardigen
geleefd hebben naar de wet die zij kenden, de Tora,
het voorrecht om uit het graf op te staan: “En de graven gingen open en vele
lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na
Zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen”.
(vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 27:52-53). Dit
gebeurde vooruitlopend op de toekomstige massale opstanding van de gelovigen
als de Mashiach terugkomt. Daarna vestigt Yeshua Zijn duizendjarig vrederijk. Pas ná deze
duizend jaren worden ook de g’ddelozen uit het dodenrijk opgewekt om vervolgens
evenals satan en zijn demonen in de poel des vuurs, de hel ofwel ,nhyg Geihinom, geworpen te worden: “En ik zag een grote
witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en
de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden,
de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En
nog een ander boek werd geopend, ,yyxh
rpc Sefer haChayim [het boek des levens] en de doden werden geoordeeld
op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee
gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden,
die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. En tvm Mavet [de dood] en lva> Sh’ol [het dodenrijk]
werden in de poel de vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs.
En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens,
werd hij geworpen in de poel des vuurs. En ik zag een nieuwe hemel en een
nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en
de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem,
nederdalende uit de hemel, van G’d, getooid als een bruid, die voor haar man
versiert is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van
G’d is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volken zijn
en G’d zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en
de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer
zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen
nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En
Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en
het einde. Ik zal de dorstige geven uit de Bron van het Water des Levens om
niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een G’d zijn en hij
zal Mij een zoon zijn. Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken,
de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars
- hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede
dood.” (]vyzx
Chizayon [Openbaring] 20:11-15 en
21:1-8).
Het
nieuwe Paradijs
Voor de rechtvaardigen keert het Paradijs terug op
de nieuwe aarde met zijn wonderbare vruchtbaarheid en zijn volkome harmonie en
vrede. Dit houdt méér in dan alleen maar een terugkeer van de oorspronkelijke situatie.
Zoals de eerste mens in de tijd van zijn onschuld leefde in G’ds weldadige
nabijheid, zo zullen de rechtvaardigen uit alle volken de Eeuwige op Zijn
heilige berg mogen naderen. En juist zoals ty>arb B’reshit
[Genesis] 2 de
religieuze situatie van Adam aanschouwelijk
maakt door hem in een wonderbaarlijk bevoorrechte omgeving te plaatsen, zo
zullen ook zij wonen in een nieuw Paradijs op aarde. De geschiedenis van G’ds
volk loopt dus van Paradijs tot Paradijs. Door de ongehoorzaamheid aan G’ds gebod werd de mens uit Gan-Eden verdreven en werd dit Paradijs van de oude
aarde weggenomen. Maar door de gehoorzaamheid
van Yeshua zal het terugkeren naar de nieuwe
aarde. In dit herstelde Paradijs zullen G’ds kinderen als het zaad van Avraham tot in alle eeuwigheid de gemeenschap met G’d
smaken. De rechtvaardigen zullen de nieuwe aarde bewonen en haar nooit meer
verlaten. Het toekomstige leven van G’ds kinderen zal een leven van Eeuwige
heerlijkheid zijn: Ook de dieren zullen elkaar geen leed meer berokkenen: ”Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich
nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen
tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zullen
samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro
eten als het rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en
naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand
uitstrekken.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 11:6-9). Enkele
hoofdstukken later wordt deze belofte nog eens herhaald: “De wolf en het lam
zullen tezamen weiden en de leeuw zal stro eten als het rund, en de slang zal
stof tot spijze hebben; zij zullen geen kwaad doen noch verderf stichten op
gans mijn heilige berg, zegt de Eeuwige.” (65:25). G’d zal Zijn belofte
waarmaken: “De Eeuwige talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen
denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen
verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. Maar de dag van Adonai zal komen als
een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen
door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Daar
al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige
wandel en g’dsvrucht, vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag
G’ds, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in
vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten echter naar Zijn belofte nieuwe hemelen
en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, beijvert u in
deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede, en
houdt de lankmoedigheid van onze Eeuwige voor zaligheid, zoals ook onze
geliefde broeder Sha’ul naar de hem gegeven wijsheid u
geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen
spreekt.” (2 Petrus 3:9-16a). - Vele vragen over het leven na de dood
vinden hun antwoord in G’ds woord. Ik wil deze bijbelstudie nu besluiten met de
waarschuwende woorden uit de verzen 17 en 18 van hetzelfde hoofdstuk: “Geliefden,
daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de
dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid, maar
wast op in de genade en in de kennis van onze Heer en Verlosser, Yeshua haMashiach. Hem zij de
heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid.” Amen!
Werner Stauder